Doe mee aan de columnwedstrijd 'Ziende(r)ogen'!

(Persbericht van Viziris, geplaatst op 10 november 2011.)
Heb je een vlotte pen? Of vind je het gewoon leuk om te schrijven? Doe dan mee aan de columnwedstrijd van Ziende(r)ogen. In aanloop naar Ziende(r)ogen fit!, de tweede landelijke slechtziendendag op 21 januari 2012, nodigen we iedereen uit om een column te schrijven over ervaringen met slechtziendheid. Ook als je goed ziet of als je helemaal niks ziet ben je van harte uitgenodigd om mee te doen. De winnaar ontvangt een cadeaubon van 100 euro. Het thema van de wedstrijd is 'Wat geeft jou energie?'.
Vorig jaar ontvingen we ruim 100 inzendingen. De 20 allerbeste columns zijn toen gepubliceerd in een mooie bundel. Ook dit jaar zullen de beste columns weer in een speciale bundel worden opgenomen; alle overige inzendingen zullen bij toerbeurt op de website www.slechtziendendag.nl worden gepubliceerd. De winnaar wordt gehuldigd tijdens Ziende(r)ogen door jurylid Annemiek van Munster. We hopen het aantal inzendingen van vorig jaar te overtreffen. Met de columnwedstrijd en de slechtziendendag willen we slechtziendheid onder de aandacht brengen.
- - -
Jury
De jury bestaat uit Annemiek van Munster, Elian Deenik, Dorry de Kruiff en Christel van de Burgt. Zij hebben alle vier grote affiniteit met zowel schrijven als slechtziendheid. De columns zullen geanonimiseerd aan de jury worden voorgelegd.
- Annemiek van Munster schrijft columns voor diverse tijdschriften, blogt voor Koninklijke Visio en debuteerde in 2010 als schrijfster van '+23, Een revalidatieproces in beeld';
- Elian Deenik, vanaf haar geboorte zeer slechtziend, is moeder van twee dochters, schrijft columns en werkt freelance als redacteur bij Dedicon, uitgever van o.a. gesproken lectuur;
- Dorry de Kruiff was jaren Coördinator Voorlichting van de Nederlandse Vereniging van Blinden en Slechtzienden (NVBS) en voorvechtster van (h)erkenning van de positie van slechtzienden;
- Christel van de Burgt blogt over journalistiek en communicatie voor De Nieuwe Reporter en werkt als communicatiebeleidsmedewerker bij Viziris, de netwerkorganisatie van en voor mensen met een visuele beperking.
- - -
Voorwaarden
Columns mogen niet langer zijn dan 500 woorden en moeten uiterlijk op 31 december 2011, voorzien van naam, adres, telefoonnummer en emailadres en als worddocument, zijn ingediend via columnwedstrijd@nvbs.nl. Door deelname verleen je de NVBS het gebruikersrecht van de column voor publicatie in de bundel en/of de website.
We zien je column met belangstelling tegemoet!
***

Verhalenprijsvraag Pointe 25 jaar

(Geplaatst op 18 september 2011.)
EN NU ZIJN DE LEZERS AAN ZET
Vervolg verhalenprijsvraag Pointe 25 jaar

Omdat Pointe in 2011 25 jaar bestaat organiseert de redactie van Dedicon een verhalenprijsvraag. Het thema is: 'onderweg'. De inzendtermijn was gesteld op 1 juni en was verlengd tot 1 augustus 2011.

Deze prijsvraag kent een andere opzet dan welke gebruikelijk is. Meestal is er een jury die, na ampel beraad, direct de prijswinnaars vaststelt. In dit geval is er wel een jury – Hilly Appel, redacteur van Dedicon, Leonie Dijkman, Bibliothecaris bij Dedicon, en Jaap van der Hoest, redacteur van Pointe -, maar deze jury beperkt zich tot het selecteren van 5 nominaties uit de inzendingen. Deze nominaties worden vervolgens in Pointe gepubliceerd en dan is het aan de lezers om het beste verhaal te kiezen

Het stadium is bereikt, dat de jury 5 ingezonden verhalen heeft genomineerd en dat deze nominaties aan u, Pointe-lezers, worden voorgelegd en dat met uw oordeel tot de toekenning van 3 prijzen kan worden gekomen, te weten: een eerste prijs van € 125,-, een tweede prijs van € 75,- en een derde prijs van € 50,-.

Na een uitleg van de verdere gang van zaken, kunt u de 5 genomineerde verhalen, in alfabetische volgorde van de titels, lezen.

U krijgt eerst nog een terugblik op het voorwerk, dat de jury tot nu toe heeft verricht. Begonnen is, uiteraard, met de ontvangst van de inzendingen. De ontvangen verhalen, totaal 29, zijn na ontvangst bij Dedicon in Grave geanonimiseerd doorgezonden naar de juryleden.
Bij hun beoordeling hebben de juryleden bij ieder verhaal eerst 'algemeen' gekeken. Aandachtspunten hierbij waren: thema, lengte en beknoptheid. Vervolgens hebben zij gelet op 'verhaalkunst en verhaaltechniek', met als aandachtspunten: opbouw en verhaallijn, begin, einde, stijl, inhoud, ontwikkeling en spanningsboog. Tenslotte hebben zij naar het taalgebruik gekeken. Een goed verhaal moet boeiend en beeldend zijn geschreven in een taal die origineel genoemd kan worden.

Nu zijn de Pointe-lezers aan de beurt om verder te oordelen over de 5 door de jury genomineerde verhalen. De spelregels zijn:

  1. Alleen pointe abonnees mogen meedoen
  2. U mag één verhaal kiezen (op basis van eigen criteria)
  3. Per persoon mag één keer gekozen worden
  4. Stuur uw keuze per email naar: redactie@dedicon.nl of per gewone post naar: Dedicon, t.a.v. de redactie, postbus 24, 5360 AA Grave
  5. Vermeld in uw inzending: “Pointe verhalenprijsvraag”, en verder uw naam, uw adres en de titel van het beste verhaal


Na 1 november stelt de jury vast op welke verhalen de 3 prijzen zijn gevallen. Daarna worden de namen van de inzenders erbij gehaald en kunnen de eerste, de tweede en de derde prijs worden toegekend. De prijswinnaars krijgen vervolgens bericht. De bekendmaking van de uitslag vindt in het december-nummer van Pointe plaats.

Dan volgen nu de 5 genomineerde verhalen, in alfabetische volgorde van de titels.


1. BESCHERMENGELEN BESTAAN NOG


'Jul, steek je linkerarm uit, we gaan oversteken.'
Ik doe dadelijk wat mijn voorrijder Paul me vraagt en ik voel dat ook hij hetzelfde doet terwijl hij zich omkeert op de tandem om achterom te kijken.
We steken de weg over.

Ik los op in een stilte van niets. Ik ben er niet meer. Er is niets meer rondom mij. Ik weet zelfs niet meer of ik besta, of er zelfs iets bestaat.
Er is gewoon geen weten meer.

Was dit de andere wereld zonder zorgen, zonder kommer?
Maar ik had er geen deel aan!

Dan kom ik terug uit een waas van niets.
Zalig voelt het aan zo terug te keren zonder dadelijk belast te worden door de beslommeringen van elke dag.
Dit is een gelukkig gevoel waaraan ik even moet wennen.
Ik herinner me heel vaag dat ik nog erg jong was toen dit mijn dagelijkse leefwereld was.
Ik wil hier blijven alhoewel ik helemaal niet weet wie ik ben, wat ik ben, waar ik ben.
Ik ben gelukkig maar weet niet waarom. Doch dat doet er helemaal niet toe.
Ik zweef ergens zonder iemand, zonder iets.
Is er nog iemand, nog iets buiten mij?
De tijd bestaat niet.
Trouwens, wat is tijd?
Het zijn allemaal vragen zonder behoefte aan antwoorden.

Vage stemmen komen uit het niets.
Steeds sterker, steeds indringender.
Er dringen klanken tot me door.
Ik herken sommige geluiden.
Het is alsof ik wakker word in mijn tentje. Maar wat doen mensen hier die Frans praten?
Ik voel nu dat ik op mijn zij lig en op mijn buik gedraaid word.
Mijn gezicht raakt iets hards dat vuil is. Ik moet gezweet hebben want het kleeft van dik vocht.
Ik voel helemaal geen behoefte om op te staan.
Mijn brein tracht te achterhalen wat hier allemaal gaande is.
De stemmen produceren nu flarden van verstaanbare woorden.
Doch ik kan al wat er rondom mij gebeurt geen zinnige plaats geven.
Kan ook ik praten?
Mijn onderbewustzijn stelt mijn vragen in het Frans:
'Où est-ce que je suis?'
'Qu'est-ce qu'il se passe ici?'
Een zachte zalvende stem boven mij, naast mij, vertelt me in het Frans dat ik een ongeval heb gehad met een auto.
Een ongeval met een auto… in Frankrijk?
Op weg…? Maar wat doe ik dan hier?
De geduldige stem zegt me dat ik met de tandem ben.
Nu start er een film in mijn herinnering: ja, ik vertrok thuis, via de Ardennen, door Noord-Frankrijk, naar de Mont Ventoux, we sliepen elke avond in een tentje.
'Où est mon copain ? Ma fille et son mari?'
'On va aussi transporter votre copain vers l'hôpital. Mais tout va bien.'
Alhoewel nu pas bij mij doordringt wat er kan gebeurd zijn en hoe ernstig het allemaal kan zijn voel ik me heel rustig.
Vanaf nu gaat alles vrij snel.
Handen nemen voorzichtig de fietshelm van mijn hoofd.
Warm bloed – mijn bloed? – loopt over mijn aangezicht.
Er wordt me een stevige kraag rond hoofd en hals gelegd. Dit is voor de veiligheid bij het vervoer.
Bij elke handeling wordt de nodige uitleg gegeven.
'Votre copain nous a dit que vous êtes aveugle.'
Mijn geest is nu terug voldoende paraat om de vreemde taal dadelijk om te zetten naar het Nederlands.
Hoe langer hoe meer wordt alles me duidelijk.

Ik word heel voorzichtig op een draagschelp geschoven.
Er buigt zich een vrouwelijke stem over me heen. Driemaal een verontschuldiging… het spijt haar dat ze mij dit heeft aangedaan… een belofte om me te komen opzoeken in het ziekenhuis.
De bestuurster van de aanrijdende auto?
Ik word opgetild en alles rondom mij wordt weer heel vaag.
Glijd ik terug naar die andere wereld zonder iets.
Nu voel ik me toch onzeker. Wacht… ik wil nog niet… ik moet eerst nog zovele mensen zien!
Er wordt me meegedeeld dat ik in een ziekenwagen word geschoven.
Ik voel me opgesloten in een smalle enge tunnel… heel benauwend.
Ik ril van de kou. Ik ga in shock. Er wordt een plastiek zeiltje over me heen gelegd.
'J'ai peur… j'ai peur… !' stamelt mijn zwakke stem.
Een vrouwelijke arts stelt zich voor en komt achteraan bij me zitten.
Ze spreekt troostend op me in. Binnen een twintigtal minuten zal ik in het ziekenhuis zijn en dan komt alles in orde.
Ze neemt mijn hand in de hare en dat maakt me rustig.
Wanneer op mijn vraag wordt geantwoord hoe laat het is kan ik berekenen dat ik geruime tijd buiten bewustzijn heb gelegen. Men durfde me pas vervoeren nadat ik terug bij kennis was.
Maar zodra de ziekenwagen vertrekt komen ook de pijnen.
Mijn hoofd, mijn aangezicht, mijn hals, mijn borst, mijn rug, gans mijn linkerbeen en -voet doen nu pijn.
Ik herinner me het boek dat ik onlangs las en waarin een fietser na een aanrijding met een auto totaal verlamd is gebleven.
Kan dat ook mij overkomen?
Angst doorstroomt mijn lichaam.
Voorzichtig probeer ik mijn linkervoet te bewegen en dat kan.
Ik verleg langzaam mijn linkerbeen, ook dat kan.
Ik til mijn lendenen even op, moeizaam maar het gaat.
Mijn hals en hoofd kan ik ook lichtjes bewegen.
De vrees voor verlammingen valt van me af.
De dokter heeft mijn bewegingen gezien.
Waarschijnlijk herkent ze mijn ongerustheid en ze stelt me weer op mijn gemak.
Ze raadt me wel kordaat aan om stil te blijven liggen om de verwondingen niet te verergeren. Men weet immers nog niet wat er allemaal aan de hand is. Dat moet blijken uit het onderzoek in het ziekenhuis. En daar zijn we zo dadelijk om me te verzorgen.
Mijn beschermengel belooft me dat alles weer goed zal komen en ik geloof haar.
Zij is van vlees en bloed zonder aureool en vleugeltjes: een lieve Franse vrouwelijke dokter.


2. BEVLOGEN LIEFDE

Een schok, een aarzeling, de wielen krijgen greep op de baan. Ik land voor de derde keer in Maputo. Als de machine stilstaat, kost het me moeite om te blijven zitten. Ik ben een 'speciaal geval', dus moet ik wachten tot alle passagiers zijn uitgestapt. Mijn hond staat naast me, kop omhoog, haar snuit tegen mijn dijbeen, alsof ze zeggen wil: “Kom, dan gaan we. Ik wil weten waar we zijn aangekomen.”
Ik zet een voet op de eerste tree van de vliegtuigtrap die naar beneden leidt. Mijn lichaam volgt als mijn andere voet de tweede tree heeft herkend. Dan daal ik de trap af, eerst nog aarzelend om de afstand tussen de treden te registreren, dan sneller met zekere stappen. Ik wil sterk overkomen. Ik vermoed dat hij staat te kijken. Hij zal trots op me zijn. Weer een reis in mijn eentje, via het sinistere vliegveld van Oost-Duitsland en een stop in Nigeria, naar hem. Mijn voeten voelen de verandering in de structuur van de grond. Zo weet ik dat ik beneden ben aangekomen. De machine giert. Een hoog snerpend geluid waarvan ik altijd opgewonden raak. Ik wil reizen.
Terwijl ik daar sta, pakt een zachte hand mij vast en een vrolijke vrouwenstem vraagt me in het Portugees: “Vamus?” Of ik meega. De te zware tas die ik bij me had, is verdwenen, maar dat zal wel goedkomen. Ik kijk naar boven in de verwachting dat hij mijn gezicht kan zien en ik hoop dat hij zal roepen. Ik hoor niets en even flitst het als een snelle pijn door me heen. Hij is er niet! Hij weet niet dat het vliegtuig eerder geland is. Door mijn volgende gedachte, natuurlijk is hij er wel, zakt de angst in mijn buik en verdwijnt. Ik loop rustig verder en realiseer me dat ik me hier thuis voel. In mijn neus de scherpe geur van vuur. Zwaar en kruidig. Ik voel de warme luchtstroom langs mijn blote armen en benen en de hitte van de zon. Ik hoor de snelle ronde klanken van de taal, die ik alsmaar niet onder de knie krijg en die mij toch als muziek in de oren klinkt. Een taal die hoort bij zon, muziek en feest vieren. Het voelt zo vertrouwd. De verwachting kriebelt in mijn buik. Wanneer zal ik hem kunnen aanraken? Het geluid krijgt verre grenzen, zodat ik weet dat ik in de hal ben aangekomen. Ik maak mijn tasje open en de structuur van het papier vertelt me wat ik vind. Paspoort, inentingsboekje, visum voor Mozambique, paspoort van Adje-hond met de gezondheidsverklaring. Ik geef ze aan de vrouw die me heeft meegenomen. Zij loopt weg om alles te regelen. Nu sta ik daar. Dit zijn van die wezenloze momenten waarop ik niet weet wat ik moet doen, omdat ik geen idee heb waar ik heen zou kunnen lopen. Dus blijf ik staan. Duizenden momenten in mijn leven heb ik zo gestaan. Ik wil geen suffe indruk maken, er 'normaal' uit zien, dus ga ik mijn hond aaien. Terwijl ik tegen haar praat, hoop ik dat niemand zal zien hoe onzeker ik me voel. Gelukkig, daar is weer dezelfde stem als daarstraks en voor ik het weet, nemen handen me mee door de douane. Nu is het weer wachten op de dingen die komen gaan. Mijn lichaam registreert. De vloer onder mijn voeten, de koelere stroom langs mijn blote armen. Mijn ogen moe van de reis, die weken leek te duren. Tijd werd grenzeloos en eindeloos.
In mijn linkerhand voel ik het stevige leer van de hondenriem. In mijn rechterhand plakt een plastic tasje met de prachtige marsepeintaart die niet in de bagage kon. In mijn oren dreunen en botsen de geluiden, die op alle vliegvelden waar ik ooit geweest ben, hetzelfde zijn. Het klikken van hakken en koffers, het bromgeluid van de bagageband, vrouwenstemmen uit microfoons; alles omlijst door de holle klank van de hal. Ik heb vreselijke dorst, zin in koffie en slapen. Mijn rug is gespannen recht, zoals altijd als ik me moet groothouden. Dan zijn er plotseling twee handen om mijn middel, bekend en vertrouwd. Ik draai me om, maar de hond is ons voor. Ze springt tussen ons in om hem te begroeten. Dan voel ik zijn lippen. Een zoen. Twee armen. Verlegen lachen. Dit is altijd weer nieuw en toch telkens hetzelfde. Wanneer zag ik hem voor het laatst? Is dat al acht maanden geleden? De verlegenheid laat niet toe dat we elkaar lang vasthouden. We moeten praten om weer bij elkaar thuis te komen. Kletsen, al is het over niets. Ik voel de stroom van hem naar mij. Hij is verrukt en verbaasd om zijn eigen blijdschap. Langzaam wordt het rustiger in mijn buik. Er is tijd genoeg om de afstand te overbruggen en elkaar weer te vinden.



3. IN DE TOVERLANTAARN

"Laten we nog één camping proberen." zeiden we tegen elkaar, terwijl de schemering zijn quilt al over de paden begon uit te spreiden.
"Als er tenminste in werkelijkheid eentje is en niet alleen op de kaart." bromde Robbert, mijn metgezel.
"Of het is weer zo'n vreselijke caravanclub." zuchtte ik, zo langzaamaan behoorlijk moedeloos, na een zoektocht van uren.
En inderdaad, toen we de oprit vonden, stond er: alleen voor leden, op het hek.
Dus reden we het zoveelste slingerweggetje af, tot we de lichten van een pub zagen.
'The Magic Lantern Inn' leek zelf wel een reusachtige lantaarn. Gebouwd als een zeshoekige toren, met ramen aan alle zijden. Vol verwachting parkeerden we ons kampeerbusje. Hier zou wellicht iemand zijn die ons iets over een slaapplaats kon vertellen.
Binnen trof de warmte ons, evenals het geroezemoes van stemmen, waar hier en daar een woord uitsprong. Links en rechts drongen zich de mooiste voorwerpen aan ons op: wereldbollen in verschillende maten, verrekijkers en zandlopers. Er verhief zich zelfs een telescoop. Al het aanwezige licht kwam uit kleurige lantaarns. Ze hingen boven de tafels of aan de muren en overal verspreidden ze een warme gloed. Even bleven we staan en lieten de sfeer op ons inwerken. Vreemd genoeg wekte het café niet de indruk volgepropt te zijn.
Toch konden we nergens zitten.
Toen maakten een paar mensen ruimte voor ons, alsof ze begrepen dat we moe waren.
Op dat moment begonnen op een podium drie muzikanten te spelen. Een jongeman op een gitaar, een ander op een bodhrán, een ierse trommel, en een vrouw met lang rood haar, die de mooiste klanken uit haar viool haalde.
Met een drankje op tafel, raakten we al gauw in gesprek met de mannen die voor ons waren opgestaan.
"Waar komen jullie vandaan? Hoe lang hebben jullie vakantie? En waar logeren jullie?" En dat bracht ons meteen bij de kern van ons probleem.
Toch moesten er eerst nog vragen gesteld en beantwoord worden.
Scot, wiens woorden bijna in zijn baard bleven steken, vertelde dat hij in deze omgeving survivalkampen leidde. Z'n buurman Ted, met woeste zwarte krullen, was een vogelkenner, die belangstellenden vroeg in de ochtend mee op pad nam.
"Hoe zou hij op tijd opstaan, met de nodige alcoholdampen in zijn kop?" vroegen we elkaar, zonder woorden.
De muziek wervelde om ons heen, terwijl onze ogen steeds andere schatten ontdekten. Doedelzakken, spinnewielen en natuurlijk mooie oude toverlantaarns. Harry Potter zou hier zeker op z'n plaats zijn.
Desgevraagd vertelde Robbert dat hij, waar mensen hem nodig hadden, houten huizen bouwde. Ik op mijn beurt liet in een café vol mannen liever niet weten poppenspeelster te zijn. Het noemen van mijn beroep leidde maar al te gemakkelijk tot een verzoek om een spontane voorstelling en ik had nou juist lekker vakantie. Dus hield ik me wat op de vlakte. Maar ze leken tevreden, zodat we de kaart voor onze hulpvaardige kroeggenoten openvouwden. Boven onze hoofden ontstonden heftige discussies, half schots, half engels. Daarbij wezen stevige vingers plaatsen aan en rolden er bekende en onbekende namen over tafel. Totdat er een vrouw achter de bar vandaan kwam, die zich als Janet voorstelde. Zij legde uit, dat een zekere Mont het stuk land aan de andere kant van de rivier bezat. Hem konden we gerust vragen of we daar mochten kamperen. Zij hadden hier helaas geen bed vrij vannacht. We moesten ons niet haasten, riep ze, want voordat we vertrokken, wilde ze ons nog een schots likeurtje aanbieden.
"A nightcap for you and your lady."

Helemaal warm en rozig volgden we even later het pad langs de pubtuin, de brug over, tot aan het huisje van Mont.
Het was een vriendelijke oude man met een enorme bos wit haar, die niet verbaasd leek ons op dat uur voor zijn deur aan te treffen. Wel was hij ongerust, omdat er geen facilities waren. Hij wees ons een prachtig plaatsje bij de rivier. En ach, geen wc's, dat was voor ons toch geen probleem? Hoewel...
Nee, zo laat was er niets meer dat ons van ons warme bed vandaan kon houden. We wensten hem goede nacht, waarna we dicht tegen elkaar aankropen. Onder twee slaapzakken wilden we met de achterdeurtjes open nog even naar de prachtige sterrenhemel kijken. In het hoge gras vlakbij hoorden we het egeltje ritselen, dat we tevoren gezien hadden. De rivier stroomde hier snel en begeleidde ons bij ons tevreden gefluister, op weg naar een weldadige slaap.

In de vroege ochtend werd ik wakker, mijn wang tegen Robberts borst.
Hij mompelde in zijn slaap, zijn arm koesterend om mij heen. Er ontvouwde zich een gedachte, waarmee ik me de laatste maanden niet meer had bezig gehouden. Het verlangen om met hem een kindje groot te brengen. Kort geleden hadden we vrijgenomen om samen een reis door Schotland te maken. Het laatste jaar was veel te druk geweest. Mijn moeder zorgde voor het huis en de plantjes en ze liet me beloven het 'ns rustig aan te doen. Een maand geleden waren we vertrokken, waarna we onze liefdestuin hadden moeten opruimen. Knippen, sproeien, vegen en de perkjes aanharken. Dit had ons dichter bij elkaar gebracht dan lang het geval was. Nu, terwijl de eerste zonnestralen de struiken aanraakten, realiseerde ik me dat ik me al geruime tijd anders voelde. Ik keek naar Robberts slapende gezicht. Hij zag er vredig maar ook een beetje kwetsbaar uit. Een donkere lok viel over zijn wang, daar waar ik wist dat ik morgenvroeg de schaduw van z'n baardgroei zou zien. Stel dat ik nou eens...
Maar voordat die gedachte voet aan de grond kon krijgen, vielen mijn ogen opnieuw dicht.

De vorige avond had Janet ons uitgenodigd om in de Toverlantaarn te komen ontbijten. We wilden maar al te graag van die gelegenheid gebruik maken. De zon glinsterde al in de rivier en witte wolken zeilden hoog voorbij. Tijd om op te staan dus. Na nog een laatste zoen kropen we uit ons warme nestje. Ik ruimde de beddenspullen weg, terwijl Robbert alvast wat koffie maakte. Tegen de zijne kon de magische herberg niet op. Ik trok een trui en een gemakkelijke broek aan en haastte me naar het dichte struikgewas. Mijn paardenstaart moest maar even wachten. Op mijn hurken, verborgen in het gebladerte, hield ik de teststick in het stroompje, dat ik tussen mijn voeten weg zag vloeien. Ik keek naar de twee streepjes en kon m'n ogen nauwelijks geloven. Maar het beeld bleef onveranderd. Ik besefte hoe bijzonder deze omgeving eigenlijk was. Geen kille tegelwanden om me heen, maar natuur, rust en ruimte.
"Kom je, Vivi!" riep Robbert, en verbrak daarmee de luchtbel. Maar het was geen onaangenaam verbreken.

Hij zat op het trapje van ons campertje. Nadat ik zijn koffie in veiligheid had gebracht, kroop ik op zijn schoot, mijn arm om hem heen. Toen liet ik hem de zwangerschapstest zien. Ik zag zijn ogen groot worden en voelde 'n trilling door hem heengaan.
"Echt?" vroeg hij alleen maar.
"Echt." antwoordde ik, beslist en blij.
Met mij in zijn armen kwam hij overeind, terwijl hij: "Dit gaan we vieren!" riep.
We lachten en zoenden, totdat hij mij weer op mijn voeten zette. Maar eerst gingen we Mont opzoeken.

We vonden hem in zijn groentetuin, waar ons een ongewone ervaring wachtte. Nadat we hem bedankt hadden voor de nacht in zijn veld, vertelde hij dat iemand hem kort geleden een blind geworden fretje had gegeven. De man had het eigenlijk willen doden, maar daar wilde Mont niet van horen. Het dier bleek een uitstekende hulp bij het weghouden van de konijnen uit zijn tuin. Hij haalde het beestje uit de schuur, om het vervolgens in mijn armen te leggen.
Het was een 'stinkdiertje', dat zich vol vertrouwen tegen me aankrulde. Iets roerde zich van binnen; leek zich te verbinden met het prille leven in mij. Toen gaf ik het fretje aan hem terug. Daarna gingen we, met nog een laatste groet, ontbijten.

Hand in hand slenterden we De Toverlantaarn binnen. Opnieuw, zelfs bij daglicht, werden we aangeraakt door het magische interieur. Onze blijdschap zal daar zeker toe hebben bijgedragen. Meteen na onze binnenkomst arriveerde Ted met zijn vogelkijkers.
"Jij ziet er uit alsof je vannacht iets bijzonders gedroomd hebt!" riep hij mij in het voorbijgaan toe, met plaaglichtjes in zijn ogen.
"Ik ben betoverd, wat dacht je?" antwoordde ik, even schalks.
Janet kwam langs met een bord vol spek en worstjes. Ze gaf me een veelbetekenende knipoog. Vermoedde ze iets?
Intussen genoten wij van koffie en brood met omelet en maakten plannen voor de dag.
Maar daarna moesten we echt gaan. Terwijl Robbert bij Janets man betaalde, haalde zij een pakje voor mij uit de zak van haar schort.
In mijn hand lag een kleine, mooi gemaakte dromenvanger.
"To remember your evening in the Magic Lantern Inn." zei Janet en lachte naar me.
Toen, zachter: "Misschien voor boven het wiegje?"
Dus toch, dacht ik ontroerd, zodat ik haar nog 'ns bedankte, waarna we de gouden morgen in stapten.



4. OVER ÉÉN NACHT IJS

Die zaterdag voor de Kerst van 1960 zette de winter in alle hevigheid door. Het vroor dat het kraakte. Die middag liep de Zwette, het kanaal tussen Leeuwarden en Sneek, voor ons huis in één keer helemaal dicht. De volgende dag, zondag eerste Kerstdag gleden de eerste schaatsers voor onze ramen langs. “Waaghalzerij,” volgens heit. Natuurlijk deden wij daar niet aan mee. Niet alleen dat het te gevaarlijk was, het was zondag eerste Kerstdag en als goed Gereformeerden schaatsten wij dan niet. Wij hielden ons bezig met kerkgang (twee keer) en gezellig samenzijn. En gezellig was het, zeker met mijn dit jaar pas getrouwde broer Oeds en zijn vrouw Martsje als logés deze dagen. Als vijftienjarige vond ik het wel moeilijk, zulk prachtig ijs voor de deur en er dan alleen maar naar kijken! Maar morgen was mijn dag! Morgen liet ik me door niets meer weerhouden, mijn schaatsen lagen klaar!
“Och heden!” zei mem de volgende morgen na het ontbijt, “nou heeft Oeds gister z'n scheerapparaat laten liggen.” Gisteren zijn ze al weer vertrokken omdat Oeds vanmorgen thuis in de kerk moet zingen. Ze wonen in Ureterp, een hele reis met de bus.
Mem staat bij de vensterbank met het apparaat in haar handen.
“Oh, ik breng het wel even weg, een mooi tochtje op de schaats,” zeg ik. Mem reageert niet op wat ik zeg. Hoofdschuddend legt ze het apparaat weer in de vensterbank en gaat verder met haar bezigheden. Ik meen echter wat ik zeg en in de kortste keren heb ik me omgekleed.
“Nou, goeie hoor!” Een armzwaai, en weg ben ik, mem verbouwereerd achterlatend.
Op het ijs van de Zwette voel ik me vrij! Mijn schaatsen geven me vleugels en het ijs zingt zijn lied voor mij. Het is schitterend weer. Windstil en met de opkomende zon rechts voor me is het sprookjesachtig. Eerst richting Leeuwarden tot Oosterwierum. Daar het dammetje over de polder in naar Rauwerd. Dan verder langs verschillende tochtvaarten richting Irnsum. Daar staat een hoge zendmast, mijn baken. Gelukkig maar, ik ben hier nog nooit geweest en zou zeker verdwalen met al die tochtsloten. Eigenlijk ben ik nog maar 10 km van huis en weet de weg al niet meer. Ik moet nog 30 km verder! Ik kom ook nergens een mens tegen. In Grouw kan ik gelukkig iemand vragen welke kant ik op moet richting Drachten. Over de grote vlakten van het Pikmeer en de Tijnje. Nergens zelfs maar een krasje in het ijs. Ik ben alleen in deze grote winterstille wereld. Daar is de Kromme Ee; die is smaller en bochtig. Gelukkig, die man in Grouw heeft het goed uitgelegd. Gouden rietkragen omzomen een gladde, onberoerde spiegel. De zon klimt hoger in een strakblauwe lucht. Wat een pracht! Wat een schier oneindige ruimte. Eigenlijk krijg ik ook wel wat dorst, ik heb niets mee genomen. Alleen het scheerapparaat voel ik onder mijn jas. Het is een heel eind naar Drachten! Maar eindelijk, eindelijk de kalkovens en de eerste huizen die het dorp aankondigen. Daar is de Drachtster Vaart. Er ligt stof op het ijs, dat glijdt moeilijk. Dan de Ureterpervaart op, nog maar een paar kilometer. Hun huis! Gelukkig, het is al ver over twaalven en ik heb best wel trek maar vooral dorst. En dan… een dichte deur! Niemand thuis! Gelukkig weten de buren waar ze zijn en kan ik een fiets lenen. Bij Martsje haar zus kijken ze vreemd op van mijn komst.
“Hier helemaal alleen op de schaats! Ongelooflijk! Maar wel heel fijn dat je dat scheerapparaat hebt gebracht.” Ze hebben al gegeten maar er is gelukkig nog genoeg voor me over. Na het eten is het ook weer de hoogste tijd voor de terugreis, de middag vordert al. Oeds wil me wel een eindje weg brengen. Als we na Drachten bij de kalkovens ieder weer een kant op gaan, zinkt de zon naar de kim. De avond valt snel. Op het grote lege Pikmeer zie ik boven Grouw alleen nog een rode gloed in de lucht. In Irnsum is het nacht. Hoe nu verder? De bus is geen alternatief, zie ik bij de halte. Dan toch de schaatsen maar weer onder en de nacht in. De eerste tochtsloot loopt dood bij een boerderij. Terug! Overal sloten! Overal lichtjes van dorpen, maar van welk dorp? Een andere vaart. Een dorp, Rauwerd? Het is Poppingawier! Terug. Weer een dorp. Terzool! Er staat een man op de brug die me weer terug wijst. Toch verdwaal ik nog eens. Weer een andere vaart, waar vind ik de Zwette? Alles lijkt op elkaar. Weer een sloot. Weer een dorp. Deersum! Nu weet ik waar ik ben. Resoluut doe ik mijn schaatsen af en loop het dorpje door, de straatweg over en het paadje langs naar de Zwette. Dit ijs voelt anders, thuiskomen! Minder dan een kwartier later rem ik voor ons huis. De deur gaat open, daar is mem
Later horen we dat het Pikmeer eerste Kerstdag nog open lag. Heeft er een kerstengeltje op mijn schouder mee geschaatst?


5. REIS DOOR DE TIJD

Met de gloeiend hete beker koffie rennen mijn lief en ik over het perron om de trein te halen. Vlak voor het fluitje van de conducteur springen we naar binnen. We komen terecht op het balkon en het valt me onmiddellijk op dat het om ons heen doodstil is. Geen geroezemoes van mensenstemmen, geschuifel van voeten, ritselende jassen en van lichamen die een plekje vinden. De koffie is heet en met zo'n plastic bekertje door de trein wandelen is niet fijn, dus besluiten we de stille ruimte binnen te gaan om de koffie eerst op te drinken. Schoorvoetend stap ik naar binnen en krijg het onmiddellijk benauwd. Het ruikt er naar nat karton, oud zweet, vieze sokken en nog iets wat ik niet kan thuis brengen. Mijn lief staat rustig naast me en slurpt van de hete drank. Ik sta als versteend en probeer te begrijpen wat er met me gebeurt. In mijn hoofd of schijnbaar iets daar buiten, hoor ik in de verte harde mannenstemmen. Ze schreeuwen commando's; hard en ongearticuleerd. Ik versta niet wat ze zeggen, maar het klinkt angstaanjagend. En nog steeds is daar die geur, waarvan ik niet weet wat het is. Ik hoor hard gebons en het gekletter van ijzer op ijzer van dichtvallende zware deuren en ik voel het schokken van de rijdende trein. Mijn maag verkrampt, ik houd mijn adem in en mijn buik wordt bijna vloeibaar. Het kost me grote moeite, om niet door mijn knieën te zakken en op de grond te gaan zitten. Iets in mijn lijf zegt me dat ik moet blijven staan. Ik mag niet omvallen. Ik steek mijn hand uit en voel een afscheiding van traliewerk. Ik raak nu echt in paniek. Ik laat de hete beker vallen en loop achteruit. Ik stoot met mijn rug tegen de andere kant van de ruimte. Als ik me porbeer beet te pakken om overeind te blijven, ontdek ik daar ramen. Ik ben dus opgesloten en kan nergens meer heen. De paniek wordt groter en nog steeds begrijp ik niet wat er met me aan de hand is. Ik wil vluchten, maar ik weet niet waarom en ook niet waar heen. Mijn lief komt naar me toe en probeert me vast te pakken om te voorkomen dat ik me bezeer, maar ik wil hem slaan en weg duwen. Het voelt alsof hij me kwaad wil doen. Door diep adem te halen lukt het me mijn hoofd weer een beetje helder te krijgen. Waar ben ik nou eigenlijk? Gewoon in een rijdende trein toch? De trein van Eindhoven naar Santvoort, die mij een mijn lief naar het strand zal brengen. Met veel inspanning vind ik mijn stem terug en met een kermende zachte kreet roep ik dwingend:
“Er uit! Help me. Ik moet hier weg.”
Hij slaat een arm om me heen en neemt me mee terug naar het balkon. Als we de gang in lopen voel ik weer de traliestructuur van de wand.
“Wat is dit?” vraag ik verbijsterd.
“De postwagen,” antwoordt hij rustig.
Ik kom langzaam een beetje tot mezelf.
“Ik was zo bang” zeg ik zacht. “Zo verschrikkelijk bang. De reis duurde en duurde. En ik wist zeker dat ik nooit meer terug zou komen.”
Mijn lief staat daar stil en verbijsterd om zoveel paniek in een postwagen van de trein en om wat ik zeg. Hij houdt me vast om me te troosten en gerust te stellen. Ook hij kan niet begrijpen wat er gebeurde.
We lopen door de schuifdeuren en vinden in een normale coupé een plekje waar ik kan gaan zitten om bij te komen. Langzaam begin ik te beseffen waar deze onverwachte verschrikkelijke beelden vandaan komen. Het is een herinnering van heel lang geleden. Diep verborgen in de tijd en opgeslagen in een eindeloos collectief geheugen. Soms wordt het aangeraakt en krijgt het gestalte in dromen. Door een geur, een geluid, een gebaar, een ruimte, of woorden die een andere betekenis krijgen als waar ze voor bedoeld zijn, wordt het voor een kort moment realiteit. Hij vraagt niets. En zo kan alles van wat er gebeurde, terug glijden in het rijk van de schaduwen, waar het thuishoort en het nooit zal worden vergeten.


***
terug naar de beginpagina van de website