een gedicht van Jaap van der Hoest
Het viel tegen.
De afstand van station,
de te lopen veelheid meters,
naar mijn doel, herkende ik niet.
Ik las toch: naastgelegen.
Dichtbij, dacht ik bij naast.
Verre van ver, veronderstelde ik.
En alleen was ik nog wel. Met wie
erover praten? Lichte ontstemming
wilde ik delen. Gemis aan nabijheid
speelde op. Troost boden gedachten.
Rechtdoor ging ik, zo gewoon te gaan.
Waar geen kennis is, rijzen de vragen.
Even keek ik om, zag afgelegde afstand.
En ontwaarde ik daar reeds mijn doel?
De koers was goed. Komen zou ik er.